Onechte Paradijzen
About this work
Modern is Baudelaire als hij schrijft over bewustzijnsverruimende middelen. In het eerste gedeelte van Onechte Paradijzen worden de drugs bekeken vanuit een metafysisch, spiritualistisch perspectief. Baudelaire was bepaald geen liefhebber van hasjiesj, in 1841 in snoepvorm door een arts uit Algerije meegebracht. Hij velt een negatief moreel oordeel: het beloofde paradijs met kunstmiddelen opgeroepen, houdt geen stand, het blijkt onecht te zijn. Maar inmiddels geeft hij wel een soms uiterst minitieuze beschrijving van de fysiologische en psychologische uitwerkingen van deze drug. Het tweede gedeelte van het boek bevat een deels letterlijke, deels samenvattende vertaling van Th. de Quincey's Confessions of an English Opium-eater uit 1821-'22.
Where to find it
When identifiers are available, links use a visible edition; if not, they search for the work externally.